Nieuws
Chauffeur mag vrachtwagen vasthouden bij forse loonachterstand

Een werknemer is maandenlang als vrachtwagenchauffeur onderweg, maar ontvangt geen loon. Volgens deze uitspraak van de rechtbank Overijssel mocht de werknemer de vrachtauto van zijn werkgever vasthouden totdat zijn achterstallige loon werd betaald.
Een chauffeur uit Tadzjikistan is in dienst bij een transportonderneming uit Litouwen. Hij rijdt langdurig ritten in Nederland, Duitsland en België. Op een dag parkeert hij de vrachtwagen op een parkeerplaats langs de snelweg in Nederland en weigert hij verder te rijden. De man beroept zich op zijn retentierecht: hij bezet de vrachtwagen totdat zijn werkgever hem achterstallig loon uitbetaalt.
Kort geding
De werkgever start een kort geding bij de kantonrechter van de rechtbank Overijssel en eist dat de chauffeur het voertuig afgeeft, op straffe van een dwangsom. De chauffeur eist op zijn beurt achterstallig loon. De kantonrechter is bevoegd omdat beide partijen de Nederlandse rechter als bevoegde rechter hebben aangewezen. De zaak wordt beoordeeld naar Nederlands recht.
Retentie
De kantonrechter stelt allereerst vast dat de werknemer inderdaad een loonvordering op zijn werkgever heeft. Deze bedraagt zo’n € 18.000. Daarmee is voldaan aan het eerste vereiste om een retentierecht te kunnen uitoefenen: een opeisbare vordering.
Voldoende samenhang
Daarnaast is volgens de kantonrechter voldaan aan het voor retentie vereiste criterium van ‘voldoende samenhang’. Daarvan is sprake als er een samenhang is tussen de verbintenissen en de opschorting proportioneel is. Zowel de loonverplichting van de werkgever als de verplichting tot teruggave van de vrachtwagen vloeien voort uit dezelfde arbeidsrelatie, waardoor er voldoende samenhang is tussen die twee verbintenissen.
Proportionaliteit
Ook van voldoende proportionaliteit is sprake. Hoewel de vrachtwagen meer waard is dan de loonvordering, heeft de chauffeur feitelijk geen ander effectief drukmiddel. Dat de werkgever schade stelt te lijden door het stilstaande voertuig, wordt bovendien onvoldoende concreet onderbouwd. Daarmee is het retentierecht in dit geval een rechtsgeldig middel om betaling af te dwingen. De vordering van de werkgever wordt afgewezen en die van de chauffeur toegewezen.
Bron: Rechtbank Overijssel | jurisprudentie | ECLI:NL:RBOVE:2026:1334 | 13-03-2026