Nieuws

Bestuurlijke boete bij verhuur woning onder opkoopbescherming

Een man krijgt een bestuurlijke boete van het college van B&W van zijn gemeente. Hij verzet zich daartegen bij de rechtbank Nood-Nederland. Het college stelt dat de man de Huisvestingswet 2014 heeft overtreden door een woonruimte die onder de opkoopbescherming valt zonder vergunning aan derden te verhuren. Dat hij de regels niet kende is geen excuus, stelt de rechtbank.

Opkoopbescherming is een maatregel van gemeenten om goedkope en middeldure koopwoningen te beschermen tegen opkoop door beleggers. Daarmee kan onrechtmatig gebruik van de schaarse woningvoorraad worden tegengegaan. Er geldt dan een zelfbewoningsplicht en een verhuurverbod, zodat de woning in de eerste vier jaar na aankoop niet mag worden verhuurd. Wil de eigenaar toch verhuren, dan is een verhuurvergunning van de gemeente nodig.

Te goeder trouw

De man stelt dat hij aanvankelijk zelf in de woning wilde gaan wonen maar door (privé)-omstandigheden daarvan afzag. Daarom verhuurde hij de woning aan een stel. Volgens hem waren de nieuwe regels voor verkoopbescherming op dat moment niet algemeen bekend gemaakt en ook niet breed uitgemeten in de media. Ook stelt hij dat hij de overtreding na constatering niet eenvoudig kon beëindigen, omdat de woning voor onbepaalde tijd was verhuurd. Hij handelde te goeder trouw en is nooit eerder in aanraking gekomen met dit soort problematiek.

Lik-op-stuk

Het college volgt bij dit soort zaken een lik-op-stukbenadering. De hoogte van de bestuurlijke boete is bij wettelijk voorschrift vastgesteld. Wel moet het college een lagere boete opleggen als de overtreder aannemelijk maakt dat de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De man verhuurt zes of zeven woonruimten en houdt zich dus bedrijfsmatig bezig met de exploitatie. Zo iemand behoort de wet- en regelgeving te kennen. Dat de man niet beroepsmatig werkzaam is in de vastgoedsector en de verhuuractiviteiten ziet als een investering voor zijn pensioen, maakt dat niet anders.

Onbekendheid

De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voorafgaand aan de verhuur onderzoek heeft gedaan naar de vraag of een vergunning was vereist. De enkele onbekendheid met de regelgeving vormt geen bijzondere omstandigheid die tot matiging van de boete moet leiden, ook al heeft de man de overtreding niet opzettelijk begaan. De verantwoordelijkheid voor de naleving van publiekrechtelijke regelgeving lag bij de man als eigenaar en bedrijfsmatig verhuurder. Hij had ook moeten onderzoeken hoe hij de huur had kunnen beëindigen.

Matiging

De boete bedraagt € 12.500 maar omdat de zaak te lang heeft geduurd, heeft het college de boete al gematigd met 15 procent, naar € 10.625. De rechtbank laat dit in stand.

ECLI:NL:RBNNE:2026:4570

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:4570 LEE 25/2481 | 12-10-2026

Terug